‘My bird’

Nogal wat leeftijdgenoten, vijftigers dus, ontdekken de bekoring van het zingen. Zowel mannen als vrouwen sluiten zich dan aan bij een koor en brengen onder leiding van een dirigent frivole Hongaarse liedjes, smartlappen of zelfs de complete Mattheus Passion ten gehore.

De kersverse zangers oefenen op een zolderkamertje of als er niemand thuis is. Huisgenoten vinden het eenzame geploeter op een koorpartij namelijk niet om aan te horen, wat het doorgaans ook niet is.

Maar samen zingen is heerlijk, op welk niveau dan ook, en ik ben dan ook blij dat ik als student al lid was van diverse koren. Bach en Sjostakovitsj vormen je, evenals het je aanpassen aan de stemmen om je heen en het leren luisteren naar een dirigent.

Toen ik net ziek was, besloot ik de klassieke muziek in te ruilen voor een ander genre. Met zes vriendinnen nam ik les bij jazz-zangeres Caroline Lobanov. Er ging een wereld voor me open!

Emotie, expressie, performance, alles was nieuw. Ik leerde in mijn eentje op te treden in, toen nog, rokerige kroegen. Stijf van de zenuwen het podium bestijgen om met omfloerste stem het treurige ‘ Don’t Explain’ van Billie Holiday te zingen.

In een creatieve uitbarsting schreef ik ook zelf een song. Het werd een ballad. Een rustig, wat melancholiek liedje over de liefde. Ik zong ‘My Bird’ een paar keer bij optredens van ons groepje en toen mijn stem het door de ALS liet afweten, verdween het lied in de kast.

Ik dacht er jaren niet meer aan, totdat ik Caroline toevallig tegenkwam. Zij was mijn song niet vergeten en vroeg of ze hem mocht vertolken. Mijn eigen lied uitgevoerd door professionals; wat een eer!

Ik wilde er graag bij zijn en zo geschiedde. Er was een huisconcert met zestig man publiek en voor mij werd het een feestje. En ik kreeg nog een cd mee ook. Dankjewel, Caroline!

Johnnie

Twee zwarte kraaloogjes keken mij vriendelijk aan. “Ik wil ook in jouw boek”, zeiden ze.

“Je bent toch over vroeger aan het schrijven? Al jouw hele leven loop ik met je mee. Realiseer je je dat wel?”

Johnnie is een echte Steiff-beer. De Rolls Royce in berenland. Mijn moeder kocht hem voor mijn eerste verjaardag. Nu kijkt hij me aan vanuit de kast tegenover mijn bed. Met zijn 53 jaar ziet hij er nog patent uit. Weliswaar een beetje voorover gebogen en onderuit gezakt, maar toch.

Als je hem vastpakt, dan voel je de metalen spiraal in zijn buikje. De opvulling is helemaal verteerd. Uit zijn snuit komt een beetje zaagsel en zijn pootjes zijn bekleed met vilt. Die lapjes naaide mijn moeder er in de loop der jaren meerdere malen met liefde op. Voor hem en voor mij.

Johnnie is altijd mijn lieveling geweest. Samen met mijn zus bezat ik vele poppen, die allerlei rollen vervulden in ons spel.  Ze waren onze kinderen bij vadertje en moedertje, bibliotheekje, speeltuintje en natuurlijk als we schooltje speelden.

Het braafste jongetje van mijn klas was Johnnie. Hij haalde altijd tienen en  kreeg dan een dikke krul of een stempel in zijn schriftje. Want als juffen vulden mijn zus en ik eerst alle schriften van de poppen in, om ze vervolgens met een rode pen na te kijken.

Kinderen voor de klas terechtwijzen en in de hoek zetten was nog leuker. Johnnie hoorde daar nooit bij. Hij mocht de schriftjes ronddelen en koffie halen voor de juf. Bij nader inzien was hij eigenlijk maar een zeikerdje.

‘Natuurlijk ga ik over je schrijven‘, stelde ik Johnnie gerust. ‘Maar als het me niet meer lukt om het boek af te maken, doe jij het dan voor me?‘ Ik hoorde hem slikken en zijn oogjes stonden plotseling dof. ‘Je moet tenslotte wel realistisch blijven.‘ Johnnie knikte droef.

Juffrouw Marée

Op de middelbare school was Nederlands mijn favoriete vak. Spelling, dictee en ontleden waren geen leuke onderdelen, maar als je iets in een vak goed beheerst, dan heb je er ook geen hekel aan. Zo gold dat in elk geval voor mij.

Opstellen schrijven vond ik leuk en in de laatste jaren op school ging ik ook houden van literatuur en het lezen van boeken. Dat kwam vooral door juffrouw Marée, mijn lerares Nederlands.

Ik zat in haar lessen altijd vooraan en genoot als ze voorlas uit de Elckerlijc of de Gijsbrecht van Aemstel. Maar ze bracht ons ook de liefde bij voor Willem Elsschot en voor mijn literatuurscriptie las ik met veel plezier de boeken van Anton Koolhaas.

Jaren later kwam ik juffrouw Marée tegen bij de Universiteit van Utrecht. Ze was inmiddels tachtig jaar en had zich zojuist ingeschreven voor de studie filosofie. Ze was nog net zo energiek en enthousiast als vroeger op school.

Kort daarop werd ik ziek en toen ik na een poos columns begon te schrijven voor het Utrechts Nieuwsblad, ging een keer de telefoon. Het was de juf om te zeggen dat ze zo trots op me was. Ik natuurlijk ook. Maar dan omdat ze mij had gebeld.

Dat deed ze door de jaren heen nog een paar keer, maar zopas lag er een overlijdensbericht in de brievenbus. Juffrouw Marée is bijna 93 jaar geworden en ik ervoer de kaart als een laatste groet. Het was een mooie kaart met magnoliatakken en de volgende, oudhollandse dichtregels:

 

Egidius waer bestu bleven?
Mi lanct na di, gheselle mijn.
Du coors die doot, du liets mi tleven.

 

Ook al kunt u het niet meer lezen, juf, bij deze groet ik u terug.

Op sleeptouw

‘De groene specht’, zeg ik. ‘Wat! Is Jeroen weg?‘ is de reactie. Het lijkt mijn oude spraakcomputer wel. Ik praat gewoon niet meer zo duidelijk. Daar is verder weinig aan te doen. Wel een tikkie vermakelijk natuurlijk, zo’n conversatie.

En zo heb ik wel meer te aanvaarden. Om de dag een beetje door te komen moet ik ’s morgens een poosje aan de beademing blijven liggen. Gevolg is, dat ik nog maar zelden vóór elf uur beneden ben, waardoor afspraken beperkt blijven tot de middag.

’s Avonds ga ik weer bijtijds naar boven en kijk in bed tv. Af en toe heb ik een feestje of een voorstelling, in de schouwburg bijvoorbeeld. Maar wil ik daar bij zijn, dan moet ik in de middag een paar uur naar bed. Anders red ik het niet.

Mijn tijd is dus beperkt in jaren, maar inmiddels ook in uren. Wat is er eigenlijk niet beperkt aan me? Een goed gesprek, laat staan een discussie, is met mij eigenlijk niet meer te voeren. Ik heb te weinig ademkracht om iemand te interrumperen.

Neem daarbij de zoutzak die ik sowieso al jaren ben, lam zittend in mijn rolstoel, en de lust vergaat je. Het is een wonder dat er überhaupt nog familieleden en vrienden zijn, die de moeite nemen om mij op sleeptouw te nemen.

Maar ze zijn er wel! Zij, die zich zonder dat ik daar zelf initiatief voor hoef te nemen, uitnodigen om op stap te gaan. Naar de film, een hapje eten. Nee, ik noem geen namen. Diegenen die ik bedoel, weten wel dat het over hen gaat.

Ik ben ze dankbaar. Ze geven me het gevoel dat ik er nog toe doe. Dat ik geen overbodig leven ben. Dat ik er gewoon mag zijn en niet slechts voor spek en bonen. ‘Hoezo gekke zonen?‘, zou uw antwoord nu zijn.

Geen favoriet meer

Je hoort wel eens dat mensen elkaar een rotstreek leveren. Bijvoorbeeld door een overlijdensadvertentie in de krant te laten plaatsen van iemand, die nog springlevend is. Zoiets doet alleen een zieke geest of een zeer haatdragend persoon.

Mijn website bezoek ik niet vaak. Ik weet wat er op staat en reacties op mijn weblog krijg ik altijd via e-mail binnen. Als ik dan eens naar mijn eigen site ga, dan klik ik op het internetlogo op de startbalk en vervolgens op ‘favorieten‘.

Maar van de week was plotseling ‘www.loesclaerhoudt.nl’ geen favoriet meer van me. Zo veranderen trouwens wel vaker om onverklaarbare, maar vooral onuitstaanbare, redenen dingen in email of in Word, die ik helemaal niet anders wíl hebben.

Dus ‘googelde’ ik mezelf. Ik tikte mijn naam in en tot mijn grote verbazing verscheen ‘loes claerhoudt overleden’ in het scherm. Iemand had kennelijk even snel willen weten of ik nog leefde.

Want zo gaat dat met internet. Je tikt in wat je wilt weten en de computer zoekt de informatie razendsnel voor je op. ‘Hoe zou het met Loes Claerhoudt zijn? Misschien is ze wel dood. Even opzoeken.‘

Degene die dat zo bedacht is zich er natuurlijk niet van bewust, dat het lezen van zo’n ‘hit’ (want zo heet dat in internetland) niet fijn is. Niet voor andere belangstellenden, die mijn site weer eens bezoeken en zeker niet voor de betrokkene zelf. Ik dus.

Ook niet voor de oude bekende, die ik van de week tegenkwam. Ze keek daags erna op internet en schrok zich een ongeluk: ’Hoe kan dat nou? Gisteren zag ze er nog zo goed uit!‘ En ikzelf? Ik zal mezelf nog wel eens googelen. Kijken of ik dan nog leef.

Over het hek

Van de week was er een filmpje op televisie, waarbij je een kantoorruimte zag met mannen achter beeldschermen. De computers werkten niet naar wens, waarna de mannen zich niet konden beheersen en hun woede botvierden op de apparatuur.
Ze mepten en schopten overal tegenaan en gingen als wilden tekeer. Eén van de mannen pakte er een enorme hamer bij en sloeg de boel kort en klein. Het was vermakelijk om te zien en ook wel te begrijpen. Want hoe vaak zit je zelf niet machteloos van woede achter je pc, omdat het ding niet doet wat jij wil?
En toen moest ik ineens aan mijn schoonvader denken. Helaas is hij al jaren geleden overleden, maar ik weet nog goed hoe hij in zijn kantoortje zat. Dat bevond zich achter in de campingzaak aan de Wolter Heukelslaan die hij samen met zijn vrouw runde.
De ouderwetse typemachine had een zwart lint, dat ook rode letters kon produceren. Maar om de haverklap werden facturen en correspondentie rood, in plaats van zwart. Dan deed mijn schoonvader iets met het lint, gepaard gaand met een hoop gevloek en getier.
Op een dag kwam hij met veel lawaai zijn kantoor uit, typemachine onder de arm. Met grote stappen beende hij de hele winkel door, stak de straat over en kieperde de typemachine over het hek dat langs het spoor staat. “Zo”, zei hij opgelucht. “Dat had ik maanden eerder moeten doen”.
Toen Harry met zijn eigen bedrijf begon, richtten we thuis een werkkamer in, die van alle gemakken was voorzien. Computer, fax, telefooncentrale, printer. Die laatste deed echter niet altijd wat van hem werd gevraagd.
Verwensingen, snerpende vloeken en getrek aan vastgelopen papier waren geregeld niet van de lucht. Een aardje naar zijn vaartje, zullen we maar zeggen. Op een keer vlogen de balkondeuren open en gooide Harry de printer hup, zo naar buiten. “Zo, dat had ik maanden eerder moeten doen”, zei hij opgelucht. We moesten wel een nieuwe kopen.

‘Krakkemikkig’ moet ik helemaal spellen

Een nieuwe laptop, een nieuw geluid. Een beroemde dichtregel dien je niet zomaar te verbasteren, zeker niet het mooie ‘Een nieuwe lente, een nieuw geluid’ van Herman Gorter. Bovendien klopt de inhoud van de verbastering niet eens.

Mijn oude laptop was zó traag en krakkemikkig geworden, dat er wel een andere moést komen. Een aanwinst, zo’n groot en helder scherm, maar er is ook een nadeel. De software van het spraakherkenningsprogramma kon niet worden overgezet, omdat mijn stem niet duidelijk genoeg meer is.

Nu zit ik met mijn mond achter een pijpje, waarmee ik de muis bedien. Die gaat heen en weer over een toetsenbordje in het scherm. Letter voor letter tik ik aan en veel voorkomende woorden verschijnen op een ander schermpje. Als ik bijvoorbeeld de letter D intik, dan kan ik kiezen tussen de, dat, die, dan, door, deze en dit. Maar het woord ‘krakkemikkig’ moet ik helemaal spellen.

In volmaakte stilte zit ik nu achter mijn schrijftafel, hetgeen je trouwens ook een nieuw geluid zou kunnen noemen. Het spraakherkenningsprogramma werkte al niet snel omdat ik zoveel moest verbeteren, maar deze manier van schrijven is ronduit traag te noemen.

“Hoe gaat het met je nieuwe boek? “, vroeg laatst een oude bekende. “Goed “, antwoordde ik. “Ik ben al op bladzijde drie.” Een boek! Wat een brutale ambitie, in mijn toestand. Schrijven over vroeger, dat is wat ik doe. Leuk om mee bezig te zijn en tenslotte is mijn verleden langer dan mijn toekomst.

Wat het werken ook niet sneller maakt, is dat ik steeds vaker het beademingsmasker op mijn neus heb en dat duwt het pijpje weg. Door mijn hoofd schuin te houden, zodat het pijpje in mijn rechter mondhoek zit, lukt het schrijven uiteindelijk. Dat schiet dus lekker op…

De bekende keek me lang aan en zei uiteindelijk : “Vergeet niet, dat ook de slak de ark bereikte.”

Huisarrest

Natúúrlijk kan ik naar buiten met dit winterweer. Ik laat me drie sjaals extra omdoen en een wollen muts tot over mijn oren en half over mijn ogen . Dan een plaid om mijn benen, al zijn mijn voeten per definitie altijd al koud, en zo zit ik er echt ontspannen bij.

Héérlijk, die vrieskou en bij thuiskomst leggen we gewoon een stapel oude kranten onder de rolstoel om alle aangekoekte zwarte pekel, die van de wielen komt druipen, op te vangen. Ja, dagelijks een relaxed ritje door de sneeuw is echt iets om me op te verheugen.

Alle gekheid op een stokje, ik kan niet meer genieten van dit weer. Extreme kou (en trouwens ook warmte) kan mijn lijf niet meer verdragen, hetgeen onherroepelijk leidt tot huisarrest. Terwijl iedereen druk is met in de file of op een overvol perron staan, schaatsen onderbinden en het al dan niet doorgaan van de Elfstedentocht, zit ik achter het raam naar buiten te staren.

Maar er was van de week een lichtpuntje. Toen ik  mijn mailbox opende, werd ik verrast door het grote aantal berichten. Hartverwarmend, dacht ik, die aandacht voor de zieke medemens, die het normaal al zo moeilijk heeft en nu wel een extra aai over de bol kan gebruiken.

Totdat ik de tientallen mailtjes las. Ze waren zonder uitzondering gericht aan mijn overbuurvrouw Emmy. Ze had de uitnodiging voor haar verjaardag per ongeluk naar mijn hele maillijst gestuurd in plaats van alleen naar mij.

Kan gebeuren, maar kennelijk was dat voor velen reden om in de pen te kruipen. Meestal  grappig bedoeld (“Geef me je adres, dan kom ik!”) maar soms ook belerend of voorzien van relevante informatie (“Sta dan op de latten in Italy”). Niks van aantrekken, Emmy, en ik kom. De overkant van de straat moet ik toch kunnen halen!

Een klein figuurtje op Jan’s schouder

Jan was met een aantal medestudenten een paar dagen naar Praag. Na een leuke avond belandde hij op het dak van een gebouw om van het mooie uitzicht te genieten en stapte op een glazen plaat. Daar zakte hij doorheen.

Hij viel ruim twee meter omlaag en stond toen stil. Nadat zijn ogen aan het donker waren gewend, zag hij dat hij in een brede schacht stond. Hij leunde tegen een muur, terwijl zijn voeten op een soort vensterbank stonden. Daaronder gaapte een gat van acht verdiepingen…

Een van zijn studiegenoten maakte van bovenaf een foto van Jan in zijn benarde positie. Gelukkig maar, anders had niemand het verhaal geloofd. Na een halfuur kon onze Jan zich met veel moeite via een raam bevrijden, waarna hij nog een leuke en leerzame tijd doorbracht in Praag.

Als Jan naar beneden was gevallen, dan hadden Harry en ik onze zilveren bruiloft niet gevierd. Een gebeurtenis, die ook in onze omstandigheden toch wel een feestje waard was. Nu hadden we een lekker etentje samen met de jongens en het was een extra gezellige avond.

Als het ongeluk toch was gebeurd, dan had ik waarschijnlijk nooit meer een column geschreven. Dan had ik er misschien zelfs een einde… Of Harry. Of wij allebei. Dat was toch niet onbegrijpelijk geweest? Als.. . dan.. .  Je hebt er natuurlijk niks aan, maar je kunt er ook niet omheen.

Ik kan het maar niet laten om die foto te bestuderen. Jan kijkt omhoog in de lens met een bebloed voorhoofd. Dat was trouwens maar een schrammetje. En vandaag ontdekte ik al kijkend iets nieuws. Op Jan zijn rechterschouder zit een klein figuurtje. Het is doorschijnend en heeft vleugeltjes. Het fluistert iets in zijn oor. ¨Jouw tijd is nog niet gekomen¨, moeten de woorden zijn geweest.

 

Klik op de foto voor een vergroting

De roosjes op het behang

Als kind deed ik het ook. Tellen. De stoeptegels, het zebrapad. Je mocht met je voeten niet op de zwarte strepen komen en de andere dag niet op de witte. Als je dat wel deed, dan was je af. Viel dan de hemel op je hoofd? Zoiets moet het wel zijn geweest in de beleving van een kind.

Jaren deed ik het niet, maar sinds ik uren achtereen stilzit is het teruggekomen. In de kleedkamer van het zwembad waar ik elke week kom, tel ik de klerenhaken. De grote zijn er telkens tien, de kleine ertussen negen.

De roosjes op het behang in mijn slaapkamer zijn er in de breedte tweeëntwintig en in de lengte negentien. Tegelpatronen, latjes in een hekwerk, zelfs blaadjes van de bloemen in een boeket. Ik word stapelgek van mezelf.

Regelmatig bezoek ik het zaterdagmiddagconcert in de Domkerk. Of de muziek nou mooi is of niet, ik moet me verschrikkelijk beheersen om niet te gaan tellen. Wat bijvoorbeeld te denken van het monumentale kerkorgel! Al die orgelpijpen, pilaartjes, pilasters, hekjes. Dan kijk ik naar links, waar de glas-in-loodramen mij toestralen. Ruitjes tellen van boven naar beneden, van links naar rechts. En dan de apostelen op de ruitjes.

De grote koperen  kandelaren aan het plafond hebben elk achttien armen met lampen. En dan is er weer die meneer voor mij met zijn blokjestrui en schuin voor hem zitten een streepjesoverhemd en een bolletjesjurk.

Het tellen is een dwangmatigheid, maar geen neurose. Dat wil zeggen, dat als het concert klaar is en ik nog niet ben uitgeteld, ik dan toch rustig naar buiten kan gaan. Ik ben de meeste aantallen ook zo weer vergeten. En het dak van de Domkerk zal niet bovenop me vallen.

Copyright © 2012